Nīlapaṭākā is het twaalfde deel uit de cyclus Ṣoḍaśa Nityā. Het werk werd oorspronkelijk geschreven voor sopraan en piano, maar bestaat ook in versies voor andere bezettingen.

Nīlapaṭākā is een van de Nityā-godinnen uit de tantrische traditie van het shaktisme, verbonden met de maancyclus. Haar naam verwijst naar een saffieren banier en roept kracht, bescherming en innerlijke vastberadenheid op.

In deze cyclus laat Diederik Glorieux zich inspireren door historische notatiepraktijken uit de renaissance, waarin afzonderlijke stemmen zelfstandig werden genoteerd. Ook hier krijgt elke uitvoerder een eigen, nauwkeurig uitgeschreven partij, zonder vast metrum dat het geheel vooraf vastlegt.

Daardoor ontstaat een partituur waarin precisie en vrijheid naast elkaar bestaan. Dialoog is daarbij het uitgangspunt. De musici kiezen vrij uit strikt genoteerde melodische lijnen en bepalen in het samenspel voortdurend hoe hun partij zich verhoudt tot de anderen.

Jaar
2026
Cyclus
Ṣoḍaśa Nityā
Duur
ca. 25'
Bezetting
sopraan, piano

Uitgave

Uitgever
Huniyāgar
Muziekgravure
Hannes Vanlancker

Partituurpreview

De PDF kon niet worden ingeladen in deze browser. Open partituurpreview

Download partituurpreview