voor stem en theorbe
Nityaklinnā is een compositie uit 2026 en het vierde deel uit de cyclus Ṣoḍaśa Nityā. Het werk werd oorspronkelijk geschreven voor contratenor en theorbe en verwijst naar een Nityā-godin uit de tantrische traditie van het shaktisme.
Basisgegevens
- Jaar
- 2026
- Cyclus
- Ṣoḍaśa Nityā
- Duur
- ca. 20'
- Bezetting
- contratenor, theorbe
Première
- Datum
- 11 november 2026
- Plaats
- St. Salvator, Harelbeke
- Uitvoerders
- Pieter de Praetere, contratenor | Thomas Langlois, theorbe
Uitgave
- Uitgever
- Huniyāgar
- Muziekgravure
- Hannes Vanlancker
Beschrijving
Nityaklinnā is het vierde deel uit de cyclus Ṣoḍaśa Nityā. Het werk werd oorspronkelijk geschreven voor contratenor en theorbe, maar bestaat ook in versies voor andere bezettingen.
Nityaklinnā is een van de Nityā-godinnen uit de tantrische traditie van het shaktisme, verbonden met de maancyclus. Binnen die traditie wordt zij geassocieerd met verlangen, ontvankelijkheid en innerlijke overgave.
In deze cyclus laat Diederik Glorieux zich inspireren door historische notatiepraktijken uit de renaissance, waarin afzonderlijke stemmen zelfstandig werden genoteerd. Ook hier krijgt elke uitvoerder een eigen, nauwkeurig uitgeschreven partij, zonder vast metrum dat het geheel vooraf vastlegt.
Daardoor ontstaat een partituur waarin precisie en vrijheid naast elkaar bestaan. Dialoog is daarbij het uitgangspunt. De musici kiezen vrij uit strikt genoteerde melodische lijnen en bepalen in het samenspel voortdurend hoe hun partij zich verhoudt tot de anderen.